André Nijenhuis Fotografie
INTERESSANT / TIPS  E-mail



Fotograferen

Als je mensen van top tot teen fotografeert, zorg er dan voor dat ook de voeten in beeld zijn. Bij fotograferen van het hele lijf, staan vaak de voeten er niet op terwijl veel bovenkant van bijvoorbeeld de lucht is te zien. Dat is "gedoe"

Te veel op de foto willen zetten leidt meestal niet tot goede foto’s. Het is 'de kunst van het weglaten' waarmee je juist je foto's verbetert.

Het is niet mogelijk om goede resultaten te krijgen waarbij objecten, gebouwen of personen voor een deel in de schaduw en voor een deel in zonlicht staan. Kies voor een compositie waarbij het onderwerp volledig in de schaduw óf in de zon staat.

De meeste mensen knijpen met de ogen als zij richting zon moeten kijken en er vallen lelijke schaduwen onder de ogen en neus. Dit is geen gezicht als je een portretfoto wilt maken. Fotografeer bij fel zonlicht met de zon aan de achterkant van het model, dus de zon richting de camera. Maak dan wel gebruik van de flitser want het gezicht valt nu in de schaduw en moet belicht worden. Maar nog beter is het om een portretfoto in de schaduw te maken of aan het eind van de dag als het licht veel mooier is.


Aanschaf van een reflexcamera
De keus voor een nieuwe camera moet afhangen van je budget en/of de vereisten die je stelt aan de kwaliteit van de foto’s.

Koop geen camera in een megastore die allerlei soorten producten verkoopt, ook niet als de camera daar goedkoper is. Koop je spiegelreflexcamera in een fotowinkel of bij een internetleverancier van camera apparatuur met een deskundige helpdesk. Zo kun je met specifieke vragen of problemen altijd terecht bij experts.

Alle camera’s hebben tegenwoordig ruim voldoende pixels dus dat hoeft geen verkoopargument meer te zijn. Sterker nog, hoe kleiner de sensor hoe minder pixels je nodig hebt. Je haalt alleen winst uit een grote hoeveelheid pixels als de sensor ook groot is.

De meeste camera’s kun je instellen tot 1600 ISO maar sommigen gaan wel tot 32000 ISO. Het verhogen van de ISO waarde brengt helaas met zich mee dat er ruisvorming ontstaat. De fabrikanten werken steeds aan een betere techniek om ruis zo veel mogelijk te onderdrukken. Koop daarom altijd de meest recente camera in plaats van een tweedehands camera. 


Flitser
Zorg ervoor dat de flitser compatibel is met het merk van jouw camera. De meest compatibele flitsers zijn van hetzelfde merk als de camera.

Het richtgetal van de flitser geeft aan hoeveel flitsintensiteit cq flitsbereik deze geeft. Hoe hoger het getal, hoe meer flitsintensiteit waardoor het flitslicht langere afstanden af kan leggen.

Je wilt ook met flitsen steeds betere foto’s maken. Koop daarom de beste versie van een bepaald merk. Als je een simpeler versie koopt zul je al snel merken dat je bepaalde functies en mogelijkheden sterk gaat missen.


Objectieven
De keus voor objectieven moet afhangen van je budget en/of de vereisten die je stelt aan de kwaliteit van de foto’s. Hoe duurder het objectief, hoe beter de kwaliteit van je foto’s.

De duurdere objectieven winnen niet alleen aan kwaliteit maar ook aan de snelheid van het scherpstellen met de autofocus.

Dure objectieven onderscheiden zich door een betere kleurweergave van de foto, een betere scherpte en een grote lensopening/ lichtsterkte.

Een zo groot mogelijk lensopening op een objectief geeft je de kans om in donkere lichtomstandigheden te kunnen fotograferen zonder flits. Bovendien bereik je de meest geringe scherpte/diepte wat de foto ten goede kan komen.

Het is beter om objectieven te kopen met een gering zoombereik. Voorbeeld: een 24-70mm is van betere kwaliteit dan een 24-200mm. De reden hiervoor ligt in het lenzenstelsel. Hoe meer lenzen in een objectief de beeldkwaliteit moeten corrigeren, hoe meer risico van kwaliteitsverlies.


Verschillen
De voordelen van een spiegelreflexcamera (ten opzichte van een compactcamera)

Objectieven zijn verwisselbaar van groothoek- tot telelens.

De grote sensor met meer pixels zorgt voor een (veel) betere fotokwaliteit.

Vanwege een groter LCD scherm zijn de gemaakte foto’s beter te beoordelen.

Door de vele instellingen op de camera heb je meer controle over scherptediepte en het bevriezen of tonen van beweging.

Je kunt een aparte opzetflitser gebruiken waardoor je beduidend betere flitsfoto’s maakt.

Je kunt kiezen voor handmatig of halfautomatisch fotograferen waardoor je meer controle over de te maken foto hebt.


De nadelen van een spiegelreflexcamera (ten opzichte van een compactcamera)


De prijs van een spiegelreflexcamera ligt hoger.

De camera is groot en zwaar.

Je steekt de camera niet in je jaszak, je hebt een tas of rugzak nodig om de apparatuur in te beschermen bij het vervoeren van de camera.

Om het maximale uit de camera te halen, moet je camera- en fotografiekennis vergaren.


De voordelen van een grote versus een kleine compactcamera:


Een grote compactcamera heeft een grotere sensor, dus een betere fotokwaliteit omdat er meer pixels verwerkt kunnen worden.

Heeft een groter en beter objectief.

Een betere belichtingsmeter.

Kent meer instellingen.

Voorbereiding
Investeer in een groot geheugenkaartje zodat je op de hoogste kwaliteit kan fotograferen. Bij voorkeur in RAW. Met dit bestandsformaat kan je kleine foutjes corrigeren zonder dat dit meteen ten koste gaat van de beeldkwaliteit.

Zorg er ook voor dat je kaartjes met een schrijfsnelheid kiest die past bij de snelheid van de camera zodat je zo snel mogelijk door kunt gaan met fotograferen.
Als je op vakantie bent, neem dan voldoende geheugenkaartjes mee voor de hele vakantie. Of zorg er voor dat je elke dag een back-up kunt maken op een laptop of notebook.

Extra geheugenkaartjes zorgen er ook voor dat je er niet op locatie achter komt dat het kaartje vol is en dat je foto’s moet verwijderen.

Op een LCD scherm is het erg lastig in te schatten of een foto goed scherp is. Selecteer de foto’s uitsluitend op een groot computerscherm.

Neem altijd een reservebatterij mee en controleer de avond voor je op stap gaat of je nog genoeg volle batterijen hebt.

Gebruik geen zakdoek of een brillendoekje om je objectief schoon te maken. Dit kan de coating van de frontlens beschadigen doordat stofdeeltjes over de lens krassen.

Als je gebruik maakt van een polarisatiefilter of een ander filter, zorg er dan voor dat deze goed schoon is. Het schoonhouden voorkomt dat er lensflare ontstaat als licht in een hoek in de lens valt.

Een andere methode om lensflare tegen te gaan is om altijd een zonnekap op het objectief te plaatsen. Lensflare is niet altijd negatief, je kunt het ook als creatief middel inzetten.

ISO omhoog
Het verhogen van de ISO waarde is de manier om in een donkere locatie nog net wat extra licht op de sensor vast te leggen zodat de sluitertijd snel genoeg kan worden zodat de foto scherp wordt (geen bewegingsonscherpte). Beter iets meer ruis in de foto dan een onscherpe foto.

Voordat je dan weer op een nieuwe locatie gaat fotograferen, zet je camera altijd terug naar de vaste standaard ISO-instelling.

In de  nabewerking kan je altijd ruisreductie toepassen om het negatieve effect van een hoge ISO waarde tegen te gaan. De algoritmes in fotobewerkingsprogramma’s die ruis tegen gaan verbeteren continu.

Duidelijk onderwerp
Voor composities geldt vrjwel altijd: hoe simpeler hoe beter. Hoe meer elementen concurreren met je eigenlijke onderwerp, des te lastiger het voor de kijker is waar deze op moet letten. Het oog gaat over de foto heen zonder een rustpunt te vinden. Neem daarom alleen de belangrijke elementen in de foto op en probeer onbelangrijke elementen zo veel mogelijk uit de compositie weg te laten. Let bijvoorbeeld op felgekleurde zaken in de achtergrond of aan de randen van de foto die het oog kunnen afleiden van je eigenlijk onderwerp.

Een manier om een compositie simpeler te maken is door dichter bij te komen. Dit kan door een zoomobjectief te gebruiken, maar ook door een paar stappen naar voren te zetten. Er kan dan geen twijfel zijn wat het onderwerp is. De kijker kijkt minder afstandelijk naar de foto en wordt meer betrokken. Je kunt ook gebruik maken van lijnen en paden of van een doorkijk om het oog naar het uiteindelijke onderwerp te leiden.

Door je standpunt af te wisselen kan je foto’s ook interessanter maken. Bekijk je onderwerp eens vanaf een heel lage positie of zoek het juist veel hogerop.

Let ook op de achtergrond, het onderwerp valt soms weg in een donkere achtergrond of je ziet opeens een boomtak of een lantaarnpaal uit iemand’s hoofd groeien. Door je standpunt te wijzigen kan je dit soort problemen makkelijk voorkomen.


Wijk in ieder geval af van “de regels”. Elk onderwerp vraagt zijn eigen aanpak en soms is het juist beter om een onderwerp midden in het beeld te zetten, de horizon heel schuin te laten lopen of een anders dan anders scherpstelpunt toe te passen. Met veel oefening en experimenteren krijg je het vanzelf in de vingers.


Scherp / onscherp
Hoe vaak komt het niet voor dat een foto er op kleine weergave prima uit ziet maar dat zodra je de foto groot weergeeft deze niet scherp is. Onscherpe foto’s kunnen verschillende oorzaken hebben.

In veel gevallen is de benodigde sluitertijd te langzaam zodat er bewegingsonscherpte wordt geïntroduceerd. Hoe langzamer de sluitertijd des te groter de kans op bewegingsonscherpte. Een veilige sluitertijd voor een scherpe foto met de camera in de hand is minimaal 1/60s, maar dit hangt ook af van het gebruikte objectief.

Een ezelsbruggetje is dat de sluitertijd minimaal zo snel moet zijn als de focus lengte. Fotografeer je met 100mm, dan moet de sluitertijd minimaal 1/100s zijn. Fotografeer je met 200mm dan moet de minimale sluitertijd 1/200s zijn, etc.

Dit geldt zowel voor camera’s met een crop sensor (met een verlengingsfactor van de focus lengte van 1.5x, 1.6x of 2x) als voor camera’s met een full-frame sensor. Hulpmiddelen als Image Stabilisation (IS, Canon) of Vibration Reduction (VR, Nikon) kunnen helpen. Ze zijn een extra “verzekering” om bewegingsonscherpte te voorkomen.

Een goed hulpmiddel om scherpe foto’s te krijgen onder minder goede lichtomstandigheden is om gebruik te maken van een statief. Nog beter: combineer je statief met een afstandsbediening voor de camera. Dit kan een draadontspanner zijn maar ook een draadloze afstandsbediening. Als je met je vinger de sluiterknop indrukt heb je nog altijd kans op beweging. Met een afstandsbediening sluit je dit volledig uit. Let wel: staat je camera op een statief dan gaat de IS of VR uit.


Focus op verkeerde plek
Een andere reden waarom een foto of het gewenste deel niet scherp is, kan liggen in waar de camera op scherp heeft gesteld.

Het meest sprekende voorbeeld van verkeerde focus is als de focus op de neus van je model ligt en niet op de ogen. Een regel in de modelfotografie is dat de ogen altijd in focus (scherp) moeten zijn.

Mensen zijn ingesteld om daar als eerste naar te kijken omdat in ogen veel valt af te lezen over de stemming van een persoon.


Veel fotografen vertrouwen op de autofocusinstelling van het objectief en over het algemeen gaat dat ook prima. Belangrijk is om een goed focuspunt te kiezen. Het middelste focuspunt is het meest gevoelig.

Over het algemeen worden composities gemaakt met de ‘regel van derden‘ in het achterhoofd. Het hoofdonderwerp staat op 1/3 of 2/3 van het beeld. Dat betekent dus dat het middelste focuspunt niet op het hoofdonderwerp ligt.

Je kunt er dan voor kiezen om het middelste focuspunt eerst op de ogen te richten en vervolgens, terwijl je de sluiterknop ingedrukt houdt, de uiteindelijke compositie te maken en af te drukken. De autofocusinstelling staat dan op “one-shot” (Canon) of “single shot” (Nikon).


Als je gebruik maakt van een relatief groot diafragma (lage f-waarden zoals f/2.8, f/2.0) dan is er een beperkte scherptediepte. Het wordt met een groot diafragma dan extra belangrijk om op de goede plek scherp te stellen. Het deel dat onscherp is, wordt namelijk bepaald door het punt waarop je focust.

Door de beperkte scherptediepte is er soms sprake van slechts enkele millimeters die scherp in beeld zijn. Zit je dicht op je onderwerp dan kan een verschuiving van enkele millimeters al genoeg zijn om een heel ander deel van het onderwerp scherp in beeld te brengen. Perfect focussen is dus erg belangrijk.


Weersomstandigheden

Er zijn geen slechte weersomstandigheden. Juist in de omstandigheden waarin veel mensen de spullen inpakken en vertrekken kan je mooie foto’s maken. Een blauwe lucht zonder wolken is saai en voegt niets toe aan een foto. Donkere regenwolken met de voorgrond verlicht door zonnestralen, dichte mist, harde wind en de zee die opzweept, zijn allemaal ingrediënten om een creatieve foto met impact te maken.

Maar let wel op, regen op je camera vindt de elektronica in je camera niet fijn.


Is het een grijze dag, dan is dit ideaal om macrofoto’s van bloemen en planten te maken en de echte kleuren van de natuur te tonen. Zonder het felle licht van de zon kan je meer details vastleggen en zijn de kleuren echter.


Onder- of overbelichte foto’s
De juiste belichting vaststellen is één van de moeilijkste onderdelen van fotografie. Niet onder standaard omstandigheden, maar wel als de situatie net even anders is dan gemiddeld. Zoals bijvoorbeeld bij tegenlicht situaties.

Een camera (de beeldsensor) kan minder contrastverschil (dynamisch bereik) zien dan het menselijk oog. In situaties waarbij er veel contrastverschil is ga je detail verliezen. Dat is lastig in situaties met een groot contrastverschil zoals bij het fotograferen op een zomerse dag.


Een goed hulpmiddel om de belichting te controleren is het histogram. Deze grafiek is ingedeeld van donker naar licht. Hoe hoger de lijn die links het beeld uit loopt, hoe minder detail zichtbaar is in donkere delen. Hetzelfde geldt voor de rechterkant  waarbij dan geldt dat er detail verloren gaat in lichte delen waarbij je het risico loopt dat hele delen van de foto geen detail meer hebben en wit worden weergegeven.

Een correct histogram bestaat niet maar probeer er voor te zorgen dat het histogram zo veel mogelijk van links tot rechts gelijkmatig loopt en dat de lijnen uiterst links en rechts zo dicht mogelijk bij de 0 liggen.


In niet alle gevallen geeft de belichtingsmeter de juiste waarde aan. Het kan zijn om de belichting bij te sturen. Je moet dan juist meer of minder licht op de sensor laten vallen dan dat de belichtingsmeter aangeeft om een correcte belichting te krijgen.

Je moet dan bij onderbelichting (relatief donkere foto) een langere sluitertijd kiezen of het diafragma verder openen om een +1 of +2 belichting te krijgen en meer detail in de schaduwen te tonen. Bij een overbelichte foto moet je juist een kortere sluitertijd kiezen dan de belichtingsmeter aangeeft of het diafragma verder sluiten om een -1 of -2 belichting te krijgen waardoor de lichte delen meer detail laten zien en niet volledig wit zijn.

Selecteren
Veel foto’s maken is geen enkel probleem als dit vergezeld gaat met het verkennen van het onderwerp. Veel om het onderwerp heen lopen en al fotograferend onderzoeken wat de beste compositie is. Daar is helemaal niets mis mee en is zelfs aan te raden.

Door uit te proberen kom je tot de beste compositie. De uiteindelijke compositie kan compleet afwijken van wat je eerst in gedachte had.

Het probleem ontstaat als je niet goed kunt kiezen tussen verschillende foto’s en ze daarom maar allemaal plaatst op je website of je laat ze allemaal zien aan vrienden en kenissen.

Je moet rigoureus zijn en uit een sessie uitsluitend die één of twee foto’s kiezen die het onderwerp het beste tonen.

Wat daarvoor goed helpt, is als je een tijdje niet naar de foto’s kijkt en bijvoorbeeld een paar dagen, een week of zelfs een maand later nog eens kijkt. De emotie van het moment, het enthousiasme van het maken van de foto of de teleurstelling van wat had kunnen zijn ,is dan minder aanwezig. Je kunt je foto’s meer van een afstand bekijken en het is dan eenvoudiger  een keuze te maken.

En misschien zie je opeens een nog veel betere versie van een foto die je daarvoor niet had opgemerkt.